VIJF VRAGEN OVER VIS

WAT BETEKENEN DE RANDEN VAN HET WAD VOOR VIS?

WAT BETEKENEN SCHELPDIERBANKEN VOOR VIS?

HOE GEBRUIKEN SCHOOLVORMENDE VISSEN DE WADDENZEE?

HOE GEBRUIKEN GROTE VISSEN DE WADDENZEE?

HOE GEVEN WE VIS IN DE WADDENZEE EEN BETER TOEKOMST-PERSPECTIEF?

HOE GEBRUIKEN SCHOOLVORMENDE VISSEN DE WADDENZEE?

In dit deelproject staat de pelagische vis centraal. In tegenstelling tot vissoorten die op of net boven de zeebodem leven, zwemt dit type vis door het open water, vaak in scholen. Pelagische, schoolvormende vissoorten die in de Waddenzee voorkomen zijn onder andere zandspiering, haring en sprot. Deze zijn weer voedsel voor visetende vogels als sterns en meeuwen, maar ook voor zeehonden. De pelagische soorten samen leveren in totaal veel meer kilogrammen vis dan de bodemvissen.

Met akoestische ‘fish profilers’ en sonarapparatuur vanaf een boot worden scholende vissen gevolgd. De resultaten zullen ook duidelijk maken of de broedeilanden voor sterns – die hun jongen met deze vis voeden – op een gunstige plek liggen

Rol van de Waddenzee
Pelagische vissen zijn erg dynamisch in hun ruimtegebruik. Waar ze zich bevinden wordt vooral bepaald  door abiotiek (temperatuur, zoutgehalte) en seizoensdynamiek. Hierdoor is er doorgaans sterke variatie tussen jaren. Er is nog steeds een gebrek aan fundamentele kennis van de processen die het voorkomen en de verspreiding van deze vissen in een ondiep gebied als de Waddenzee bepalen. We willen een beeld krijgen van de manier waarop deze vissen de Waddenzee gebruiken, hoe dat verschilt voor de verschillende kombergingen en hoe dat varieert over het jaar heen. Kennis hierover zal resulteren in een beter begrip over de werking van het Waddenzee-systeem voor vissen en over het voedsel voor zeevogels en zeehonden.

Natuurlijke sterfte en menselijke invloed
We hebben in het verleden in kaart proberen te brengen hoeveel vis er door natuurlijke oorzaken (bv door zeehonden) en door menselijke oorzaken (door visserij) doodgaat en of dit een reden kan zijn voor de achteruitgang van vis in de Waddenzee. In die rekensom ontbrak tot nu toe de pelagische vis. Het nieuwe onderzoek biedt de mogelijkheid deze berekening nu beter uit te voeren.

Visetende vogels
Pelagische vissoorten staan vaak op het menu van visetende vogels zoals sterns en meeuwen. Sommige vogelsoorten die in het Waddengebied broeden, zijn waarschijnlijk sterk afhankelijk van deze scholende vissen om hun jongen groot te kunnen brengen. Ze voeren kleine visjes aan hun jongen, die ze een voor een aanvoeren. Dat betekent dat niet al te ver van zo’n broedkolonie voldoende vis van de juiste maat en soort moet voorkomen. Om ze te kunnen vangen moet de school niet te diep zitten en het water helder genoeg zijn om ze vanuit de lucht te kunnen zien. In samenwerking met het onderzoeksprogramma Wij & Wadvogels wordt onderzocht hoe groot het belang van nabijheid van pelagische vis is voor het broedsucces van deze vogels. De kennis over het voorkomen van pelagische vis uit het Swimway-onderzoek draagt zodoende bij om de kansrijkheid van aangelegde (of nog aan te leggen) broedeilanden voor visetende vogels in te schatten.

Overgang zout en zoet

Sommige pelagische vissen zoals spiering leven gedurende hun levenscyclus zowel in zoet als zout water. Ze trekken bijvoorbeeld een beek of rivier op om in de bovenloop te paaien, de jonge vissen trekken later weer richting zee. Natuurlijke overgangen tussen zout en zoet zijn schaars en er zijn veel obstakels bij deze migratie. Een obstakel voor de migrerende vissen in de Waddenzee is de Afsluitdijk. Nabij de spuisluizen van Kornwerderzand wordt zoet water gecontroleerd in de Waddenzee geloosd. Vissen worden aangetrokken door zoetwater en daarom is de verwachting dat het spuiregime (wanneer en hoeveel water er geloosd wordt) invloed heeft op het voorkomen van vissen in de spuikom. Dat zal in dit project nader onderzocht worden. De resultaten zijn bruikbaar voor optimalisatie van bijvoorbeeld het spuibeheer.

HOE GAAN WE DAT ONDERZOEKEN?

 

Het onderzoek wordt uitgevoerd in verschillende deelgebieden van de Waddenzee die gescheiden worden door een wantij (de plek waar vloedstromen bij elkaar komen), kombergingen genoemd. Elke komberging heeft een in- en uitgang waar zeewater met het getij de Waddenzee in en uit stroomt, de zogenoemde zeegaten tussen twee Waddeneilanden.

Volgen van bewegingen scholen vis
De bewegingen van pelagische scholende vis door de zeegaten in en uit de wordt bestudeerd. Dat doen de onderzoekers door een zogenoemde echosounder te plaatsen, die met behulp van echolocatie continu registreert of er vis in de waterkolom boven het apparaat zwemt. Dit apparaat geeft ook informatie over de grootte van de scholen, wanneer ze langskomen en op welke diepte de vissen langskomen. De waarnemingen met de echosounders gebeurt gedurende drie jaar, om ook te kijken of er verschillen zijn tussen de jaren en seizoenen.

Onderzoek naar soorten
De echosounder registreert wel scholen vis, maar ziet niet om welke soort het gaat. Om ook dit te achterhalen worden in de zeegaten en de geulen aanvullend bemonsteringen gedaan met een ankerkuilbemonstering. Daarbij ligt een schip stil, maar de getijdenstroming zorgt ervoor dat vissen in het net gevangen worden. Hiermee wordt er vooral gericht gevist op de jonge vissen. Dit onderzoek zal één keer per maand plaatsvinden gedurende één jaar, zo worden de veranderingen in de seizoenen in kaart gebracht.

Op alle locaties wordt ook de aanwezigheid van zoöplankton, het voedsel van de vissen, bepaald. Van de gevangen vissen analyseren we de inhoud van de maag, de otolieten en bepalen het paaistadium. Dit geeft informatie over de leeftijd, ruimtegebruik, voedselrelaties, groei- en leefomstandigheden en gebruik van de Waddenzee als paaigebied.

Onderzoek hoeveelheden vis
Om een beeld te krijgen van de totale hoeveelheid pelagische vis, bijvoorbeeld als  voedsel voor viseters (vogels en zoogdieren), wordt de dichtheid van de scholen vissen in kaart gebracht met behulp van een ‘echolood’ op een onderzoeksschip. Dit geeft een beeld van de totale aanwezige biomassa. Ook wordt bij dichte scholen gevist, zodat we weten om welke soorten het gaat. Dit onderzoek zal gedurende drie jaar, in voor- en najaar plaatsvinden om ook de variatie tussen jaren in kaart te brengen.

Relatie tussen spuiregime en pelagische vis
Vissen die de Afsluitdijk willen passeren kunnen dat nu alleen doe bij Kornwerderzand en den Oever. De enige mogelijkheid om binnen te komen is wanneer er zoetwater gespuid wordt van het IJsselmeer naar de Waddenzee. Vissen worden aangetrokken door de zoete lokstroom van het spuiwater. We gaan onderzoeken in hoeverre het spuiregime samenhangt met de zoetwaterbel en de aantrekking van vis en hoe dit verder geoptimaliseerd kan worden zodat vissen makkelijker het IJsselmeer kunnen bereiken. Hiervoor gebruiken we modelgegevens over zoutgehaltes en vismonitoringgegevens die al sinds 2000 in de spuikom van Kornwerderzand plaatsvindt.

Wie?
Onderzoeksinstituut: Wageningen Marine Research
Onderzoeker (promovendus): Margot Maathuis